Scheelheid: symptomen en behandelingen

16 november 2019
Het is normaal dat de ogen van pasgeboren kinderen af ​​en toe scheel kijken. Als het echter aanhoudt dan de eerste vier maanden van hun leven kan er sprake zijn van strabismus. Gelukkig verbetert een vroege diagnose de prognose van een scheel kijkend kindje aanzienlijk.

Scheelheid, ook bekend als strabismus, is een aandoening die meestal direct na de geboorte verschijnt. De prognose is echter uitstekend als de aandoening wordt gediagnosticeerd en behandeld vóór de leeftijd van vier jaar.

In wezen treedt deze toestand op wanneer de ogen niet goed op hetzelfde moment kunnen scherpstellen wanneer naar een object wordt gekeken. Soms is dit probleem gemakkelijk te detecteren.

In andere gevallen vereist het echter een gespecialiseerde diagnose. In de meest ernstige gevallen heeft het niet alleen invloed op wat diegene kan zien, maar ook op het uiterlijk.

Plasticiteit van de hersenen is bepalend voor de ontwikkeling van visie. De hersenen hebben een grotere plasticiteit vóór de leeftijd van vier jaar. Dit is waarom het zo belangrijk is om vroeg in het leven scheelheid te detecteren, omdat dit het beste moment is voor volledige correctie.

Wat is scheelheid?

Wat is scheelheid

Scheelheid treedt op als gevolg van een afwijking in de focus van de ogen. Het is een afwijking van de uitlijning van de ogen. Het leidt tot het verlies van parallellisme – dat wil zeggen, het vermogen van beide ogen om in dezelfde richting te kijken bij het scherpstellen op een object.

Het is gebruikelijk dat scheelheid direct bij de geboorte verschijnt of vrij snel daarna. Dit komt door het niet goed functioneren van de oogspieren. Ze slagen er niet in het evenwicht te bewaren en missen daarom coördinatievermogen.

Er zijn momenten waarop de toestand stabiel blijft en er geen grote variaties in het gezichtsvermogen optreedt. In andere gevallen falen de oogspieren juist met tussenpozen. Dit is vooral het geval wanneer iemand moe, nerveus of ziek is. Het kan ook optreden wanneer een object zich op een bepaalde afstand van de gezichtslijn bevindt.

In bijna alle gevallen heeft een van de ogen een grotere gezichtsscherpte en kan naar voren wijzen. Het andere oog ziet niet zo scherp en blijft in een niet-parallelle positie.

Er zijn verschillende gradaties van strabismus die afhangen van de soort afwijking die de patiënt heeft. Hieronder zullen we ingaan op de verschillende soorten.

Je bent misschien ook geïnteresseerd in:
Een goed gezichtsvermogen behouden met oefeningen en voedingsmiddelen

Soorten scheelheid

Over het algemeen spreekt met over horizontale strabismus genoemd wanneer het oog van links naar rechts beweegt. Als de ogen juist omhoog of omlaag bewegen, wordt dit verticale strabismus genoemd.

Rekening houdend met dit fundamentele onderscheid, zijn er vier soorten scheelheid die we kunnen onderscheiden. Dit is afhankelijk van de hoek van afwijking die de ogen kunnen hebben (vooral de niet-dominante). De soorten strabismus zijn:

  • Esotropieën: in dit geval gaat het om convergente strabismus waarbij één oog naar de neus toe draait.
  • Exotropieën: dit omvat uiteenlopende vormen van strabismus waarbij één oog naar buiten toe draait.
  • Hypertropieën en hypotropieën: deze termen verwijzen naar verticale strabismus waarbij één oog hoger (hypertropie) of lager (hypotropie) staat dan het andere oog.
  • Paralytic strabismus: deze vorm is te wijten aan schade aan de derde, vierde of zesde hersenzenuwen als gevolg van een slechte bloedtoevoer. De druk op de zenuw kan leiden tot beperkte oogbewegingen en strabismus.

De symptomen

De symptomen van scheelheid

Scheelheid kan aanzienlijke visuele problemen veroorzaken door een gebrek aan uitlijning. In principe is het niet abnormaal dat een pasgeborene af en toe scheel kijkt. Desondanks moet het kind tegen de leeftijd van drie of vier maanden met perfect uitgelijnde ogen op de diverse objecten kunnen focussen, zowel dichtbij als verder weg.

De veel voorkomende symptomen van strabismus zijn:

  • De ogen wijzen niet in dezelfde richting nadat het kind vier maanden oud is.
  • Beide ogen concentreren op één punt, maar lijken niet te zijn uitgelijnd.
  • Dubbel zien bij volwassenen.

In mildere gevallen van strabismus kunnen kinderen één oog sluiten als er sprake van veel (zon)licht is. Ze kunnen ook hun hoofd kantelen om hun blik te kunnen vasthouden. Het is ook gebruikelijk dat deze kinderen het slecht doen op school vanwege de problemen met hun gezichtsvermogen.

Uiteindelijk verliest tussen 30% en 35% van de mensen die niet worden behandeld voor scheelheid het gezichtsvermogen in hun niet-dominante oog. Dit staat bekend als amblyopie een of lui oog. Wanneer strabismus op volwassen leeftijd voorkomt, is het ook gebruikelijk dat ze last hebben van dubbelzien.

Ontdek meer over problemen met het gezichtsvermogen:
Zes tips om je gezichtsvermogen op natuurlijke wijze te verbeteren

Scheelheid en de beschikbare behandelingen

Het doel van de behandeling van deze aandoening is om te voorkomen dat het niet-dominante oog zijn gezichtsscherpte verliest en om beide ogen zo goed mogelijk uit te lijnen. Deze behandelingen zijn voor het versterken van de oogspieren zodat de afwijking afneemt of zelfs verdwijnt.

Het is gebruikelijk om het gebruik van een bril en enkele oog-oefeningen voor te schrijven om de oogspieren te versterken. In het geval van amblyopie bestaat de behandeling meestal uit totale occlusie. Dit betekent dat een pleister op het dominante oog wordt aangebracht om het andere oog te dwingen om de oogspieren te trainen en zijn scherpte te vergroten.

In de ernstigste gevallen kan de behandeling een operatie omvatten. Dit is om sommige spieren te verzwakken en anderen te versterken door ofwel hun insertie te wijzigen of een van hen in te korten om ze uit te lijnen. Deze vorm van behandeling vereist in bepaalde gevallen meerdere operaties.

Soms kunnen artsen ook strabismus corrigeren door botox (botulinetoxine) te injecteren. Dit ontspant de behandelde spieren en laat de ogen in bepaalde gevallen correct uitlijnen.

  • Salgado, C. (2005). Ambliopía y estrabismo. Boletín de la Escuela de Medicina, 30(2), 31-36.